XIX.
Toen zij zich weder aankleedde zeide zij, in den spiegel kijkend :
,,Nu glanzen mijn oogen meer dan anders. Als je ze goed vurig op je wil maken, moet je zelf inwendig ijskoud zijn.”
,Jij bent een heks!” zeide hij.
„Behalve voor jou, lieve,” loog zij, opeens kwijnend en week.
Dien avond, in haar nieuwe Parijsche toiletten veroverde zij het Haagsche publiek uit de voorname standen en uit de wereld der dure demimondaines, een élite-clubje in den kleinen schouwburg, afgesloten door den voor den Haag hoogen entrée-prijs, van het gewone publiek.
De paar critici in de zaal had zij telkens een blik uit haar groote kinderoogen toegeworpen en getoond, dat zij voor hen speelde meer dan voor het publiek.
’s Morgens, op bed, lazen zij beiden de couranten met de critieken. Zij schaterde. „Zie je wel Jopie, dat het aan mij toevertrouwd is. Daar gaan zij nu met hun hooge kunst en veredelende kunst. Een vuil paradoxen-stuk, waarin de stand van de dokters be-