Koningin gebruiken de schoeljes om hem er onder te houden tot ie ’t aflegt.”
„Maar waarom verzet zoo’n kerel zich dan niet. Als ze mij dat deden, schoot ik er met een browning op los ... .”
„Dat is het nu juist, wat ik in hem haat. Als hij dat niet in zich had, zou ik misschien toch wel eens iets voor hem gedaan hebben. Maar er loopt een streek door den man. Hij is Christelijk. Diezelfde vuiliken, die op zijn leven, zijn gezondheid, zijn klein beetje huiselijk geluk loerden tot zij het heelemaal vernietigd hadden, dat schriele, middelmatige slijme-ringen- en droogstoppel geslacht, wordt door hem bemind. Hij draagt een boek op aan de Koningin, maakt verzen ter eere van den Prins en het Prinsesje, pleit in zijn boeken voor Nederland en Christus, noemt de Nederlandsche natie, de gezegende en uitverkorene. Het is bij hem net als bij de Russische Joden, die na een progrom in hun synagoge bidden voor „vadertje.” Ik kan die lamzalige Christelijke liefde niet dulden. Dat is goed voor slaven. Wie mij dat doet, trap ik terug, al zou ik er zelve bij ondergaan. Maar ze zullen mij niet trappen. Zoo’n klein, onaanzienlijk Joodje, hij mag God’s ziel zelf in zich omdragen, werkt niet op hun vieze, verstoken, Hollandsche geilheid. Die kikkert ze niet op ... . zooals wij Jozef. O, wees niet bang voor ons theater. Ik zal mij ook wel wachten hooge, reine kunst te willen geven net als dat Joodje. We zouden gauw ook tusschen deurwaarder en lommerd in bekneld raken. Nee hoor . . . . Ik zal ze in hun eigen vuil vangen — hier in ’t Haagje beginnen wij en dan gaan wij naar Amster-