XV.
„Vampa Pyrenne,” liet zich aandienen bij Arend Witteraai, den directeur van het tooneelgezelschap: ,,De Stedelingen.” Zij was gekomen in een paarse automobiel van het nieuwste type en zij was gekleed in ’t paars, geurde sterk naar „trèfle incarnat” haar liefste parfum.
Zoodra zij bij den directeur binnenkwam, zag zij dat hij een man zonder goeden smaak was. Op zijn bureau ministre stond een groote gipsen buste, een vrouw, die zich voorover boog met een paar kersen in den mond. De kersen waren van rood glas. ,,Wat een prooi om dat den heelen dag voor zijn oogen te kunnen hebben” dacht zij.
Maar zij speelde de schuchtere en onervarene, vertelde hem, opzettelijk een beetje hakkelend, dat zij zich aan het tooneel wilde wijden ter wille van de kunst.
Hij begon haar vragen te stellen omtrent haar afkomst, haar studie, haar kennis van het tooneel.
Zij antwoordde bijna weenend, dat zij ter wille van hare familie alles moest verzwijgen. Daarop vroeg hij haar of hij haar examineeren mocht en schoof