XIII.
Zij bleven nog drie dagen bij elkaar in de half leege villa. Hij vloekte Adrienne uit. Verweet haar zijn ongeluk. Wierp haar zijn portefeuille in ’t gezicht. Sliep op een andere kamer. Zij, na de eerste ontzetting, had haar kalmte weder herwonnen. Zij antwoordde hem koel en uit de hoogte, met sarkasme, verweet hem dat hij er toch maar braaf van meegenoten had, dat er zonderlinge mannen zijn die, als zij verarmen, hun vrouwen daarvan de schuld geven en als die vrouwen dan plotseling veel geld aanbrengen, niets zien willen ....
Hij verachtte haar zoo, dat hij haar zelfs niet meer kon haten, en toch diep in gevoelde hij een verlangen naar heur lichaam, dit lichaam dat hem altijd aangetrokken had, waarmede zij hem steeds had getergd en dat hem nooit had toebehoord, het allerminst toen hij meende het geheel te bezitten.
Die lust, diep in zich, deed hem ook van zichzelf walgen. Hij wilde verstrooiing aan de speeltafel zoeken,
DE GERAFFINEERDE
9