I 2 7
,,Ja .... jij ... . jij alleen .... maar zoo gaat het .... wij fatsoenlijke vrouwen ....'’
„Oho” riep Leonard .... ,,Ik verbied u mijn vrouw te beleedigen” ....
„Verbiedt u dat liever aan Lord Eaglon” ....
„Wat? Wie is dat?”
„Weet je dat niet?” vroeg Withworth met een breeden lach, opeens goed gehumeurd en knipoogend tegen Leonard.
„Neen .... ik vraag u, wie is Lord Eaglon?”
Hij drong driftig op Mrs. Withworth toe, pakte hem bij de jas.
„Wie is Lord Eaglon?”
„De minnaar van uw vrouw! . . . . riep Mrs. With-w'orth uit, zich tusschen de twee mannen werpend. „Ja, als men zoo een minnaar heeft, behoeft men zijn man geen rekening te toonen . . . . U wilt zeker zeggen, dat u dat alles betaald heeft?”
Zij lachte schel en wees naar het roodvoilen kleed van Adrienne en naar de groote robijnen broche, die op de borst het half decolleté afsloot.
Leonard keek zijn vrouw aan. Adrienne kleurde en het rood van haar gelaat werd nog verhoogd door den weerschijn van het kleed.
„Adrienne!” riep hij, haar met vuur in de oogen aanziend.
„Zij liegt, zij liegt!” gilde Adrienne.
Maar Mrs. Withworth in een zenuwachtige woede, begon in ratelende volgorde de bewijzen op te noemen. „Was zij niet eiken middag uitgegaan? Had madame Cornard het haar niet zelve verteld? Was zij niet bijna eiken dag naar het penning-kabinet van