103
Zij keek er vermoeid naar, strekte de hand er niet naar uit, zuchtte.
„Maar Atti .... je bent ziek .... werkelijk . . . .” „Hij ging bij haar op de sofa zitten.
Laat mij een beetje met rust.... ik ben zoo moe .... ik voel mij al lang zoo slap .... misschien heb ik wat te veel van mij zelve geëischt .... maar het is niets, het zal wel over gaan . . . .”
Zoo bleef zij de heele week, apathisch, vermoeid, weinig etend, ’s nachts zuchtend op bed wakker liggend, op den dag half sluimerend op de sofa. Hij wist niet hoe hij haar op zou vroolijken, bracht veel bloemen mee, die ze dadelijk weg liet brengen uit de 'kamer, omdat zij hoofdpijn van de geuren kreeg. Zij klaagde niet, antwoordde hem niet op zijn vragen, zeide dankbaar te zijn, als hij haar maar met rust liet. En alleen een enkele maal ’s nachts zuchtte zij stil voor zichzelf heen: „Ik heb te veel van mij zelf geëischt!”
„Als wij eens weg gingen naar Parijs en naar de Riviera?” vroeg hij eindelijk wanhopig.
„Dat moet jij weten, mij is alles hetzelfde.”
„Maar ben je niet liever aan de Cóte d'Azur dan hier ?”
,,’k Weet niet. Het is overal hetzelfde.”
„Mr. Withworth reist naar Bordighera? Willen wij meegaan ? Hij stelde mij voor samen met hem een villa te huren, die voor hem alleen veel te groot is.” „Goed .... als jij wilt” ....
„Alles wat je maar een beetje gelukkiger maakt wil ik ook, mijn arm, ziek wijfje. Als je maar weer gezond en vroolijk wordt!”