267
man moest ze op de hand wegen. Die groote is van de Koningin, d’r beeld staat er in uitgeslagen en hier heb je het diploma d’r bij, dat is van de Regentes, ’t Is toch mooi, dat die aan ons arme, eenvoudige menschen denken.”
Herman nam de medaille en tuurde op den zilveren beeldenaar van de Koningin.
„Zou ze dat nou nog weten Cheffie, van de redding?”
Herman antwoordde niet. Hij bleef op het zilveren portret turen; het was stil in ’t kleine kamertje, waar van buiten, uit den boomgaard een blij licht naar binnen viel. De boomen, op den zachten wind wiegelend, onderschepten met de bladeren het zonlicht, zoodat plekken licht op en neer dansten op de tafel en op den grond. Een lichtvlek trof de zilveren medaille en het was Herman als straalde plotseling een aureool om ’t gelaat der Koningin.
„Of ze het nog weet, kan ik je niet zeggen, schipper. Maar laten we hopen, dat ze heel veel zal willen weten van arme, eenvoudige menschen — daar is voor haar een redding te verrichten, waarvoor Haar God alleen zal kunnen beloonen. Ze is jong en mooi.... Van jeugd en schoonheid is alles, alles te hopen ....
Berlijn, Januari 1896.
Einde.