185
en anderen, wier namen hij niet kende, stonden klaar en helder.
„Dat is mooi, schipper !” zei hij in verrukking, omhoog ziende.
„Ja, Cheffie, God’s almacht is groot,” antwoordde deze plechtig. En hij keek ook naar hoven.
„Is er wat ?” vroeg een visscher, die hun beiden zag kijken.
„Nee, niets. Mijnheer vindt de sterren zoo mooi!”
„’k Wou dat het allemaal tientjes waren, die ik in mijn zak kreeg,” antwoordde de visscher.
„Kom mee naar achter en val niet over de koksrol en de planken,” zei de schipper tot Herman.
Herman ging mee. Hij zag nog even dat Jan en de kok de troggen en de pan schoonmaakten achter ^op ’t dek, door er een paar putsen zeewater over te gooien. Dan volgde hij den schipper naar de kajuit vóór en beiden kropen te kooi. Voor ze lagen keek de schipper nog eens op den barometer, die tegen den kooistijl hing.
„’kMaglijên, dat-ie niet achteruit gaat.”
„Is het weer zoo ?”
„Ja, je kunt in October geen staat op dat d.....nder-
sche weer maken. Je wijf kan niet wispelturiger zijn.”
Hij ging liggen. Toen na een poos :
„Wat dacht je wel, Cheffie, toen je zoo naar die sterren keek ?”
„Dat het zoo gelukkig is, dat er voor een mensch zooveel moois in de wereld is, dat-ie zoo maar krijgt en waarvoor hij niets heeft te doen. En jij, schipper ?”
„Ik, Cheffie ? Ik dacht, wat is een mensch toch maar