129
trozen. Dezen stonden in de krebben, waar nu al de breels uitgesleept waren naar het achterdek. Bij hen stond Maarten, de afhouder, die de seizings der netten aan de drie matrozen moet aangeven, die deze
Haringnetten in zee staande.
1 breel. M reep. H seizing, 4 vlootreep. 5 net. 6 joon.
dan aan de reep vasthouden en over de verschansing tusschen deze en de reep door, in zee neerlieten. Men stond gereed en wachtte.
„Als de schipper blieft!” riep Maarten.
„Op hoop van zegen”, antwoordde de schipper.
Een plons volgde. Piet, de stuurman, had het eerste hreeltje in zee geworpen, dat nu op de baren danste.
„Hij is gereld, baas”, riep Maarten, toen het eerste net in ’t water ging.
De arbeid werd nu stil en zwijgend gedaan. Piet en de twee jongste matrozen bonden de breeltjes aan de reep, Jan gaf de reep uit het ruim aan, zoodat
9
Een Dromnor ter Haringvangst.