We kregen tekenles van meneer Herfahrt, een aardige leraar. Als het mooi weer was kregen we buiten les. Op een ochtend, toen we onder een strakblauwe lucht aan het werk waren, kwam mijn moeder het schoolplein op. Ze was op weg naar onze klassenleraar. Ik ging naar haar toe om haar te begroeten. Toen ik op mijn plek terugkwam, vroegen mijn vrienden: “Wie was die jonge dame?”
‘Mijn moeder!”, zei ik trots.
Ze was toen begin dertig, maar zag er jonger uit.
Zonder dat ik er iets voor hoefde te doen, kreeg ik veel nieuwe vrienden. Mijn klasgenoten probeerden om het hardst bij mij in de gunst te komen. Sommige jongens nodigden me uit op hun verjaarsfeest. Vol verwondering betrad ik hun royale, uit tien of twaalf kamers bestaande huizen op de Kurfürstendamm, waar drie soms zelfs vier dienstmeisjes voor orde en netheid zorgden. Een bediende in livrei deed de deur open en een meisje met een wit schortje en dito mutsje serveerde ons allerlei lekkers. Ik stond ervan te kijken en schaamde me zelfs een beetje, omdat wij maar vijf kamers en een dienstmeisje hadden. Ik vond het moeilijk, om mijn vrienden, die zoveel luxe gewend waren, terug te vragen. Maar dat interesseerde ze helemaal niet. Sommigen kwamen zelfs ongevraagd langs en bleven bij voorkeur ’s avonds eten.
Mijn beste vriend was Hans Salomon. Hij kwam uit een voorname, uiterst vermogende familie. Zijn vader was een zakenman en bankier met aanzien. Hans en ik waren ’s middags dikwijls bij elkaar. Maar hij kwam vaker bij mij dan ik bij hem. De rijkdom en het aanzien van zijn familie gaf mij een minderwaardigheidscomplex, waardoor ik wat terughoudend werd.
Ik was een verlegen kind. Als er op school iets werd gevraagd, durfde ik mijn vinger niet op te steken, zelfs al wist ik het antwoord. Uit angst om een fout te maken. Verder hoorde ik ook niet tot de ‘vechtjassen’. Hoewel ik best sterk was, sloeg ik er nooit op los.
Maar op een keer sprong ik uit mijn vel. We liepen zoals altijd tijdens de pauze op het schoolplein, toen een leerling uit een andere klas me uitschold voor ‘vuile jood’.
Ik pakte hem bij z’n kladden en verkocht hem een paar rake klappen.
Want ondanks alle trouw aan Duitsland, die mijn ouders en familieleden voelden, ondanks het nationalisme, dat ons kinderen was bijgebracht, wist ik, dat antisemitische vooroordelen onder de Duitsers wijd verbreid waren. Dat waren beslist geen uitzonderingen die incidenteel de kop opstaken. Verenigingen en bonden waren in veel gevallen antisemitisch. Het bleek uit hun statuten en het gedachtengoed van hun leden.