In 1948 reisden we met onze tweejarige dochter naar Seattle, om mijn moeder voor de laatste keer in onze armen te sluiten. Ze was kankerpatiënt en ernstig ziek. Ze had niet lang meer te leven.
Na een bootreis van een week kwamen we aan in New York en waren blij over het weerzien met Heinz en Vera Mottek en veel andere vrienden uit Berlijn. Onder hen ook Fritz Kempe, mijn gerespecteerde chef uit de jaren van voor de machtsgreep. Met zijn gezin was hij vanuit Tsjecho-Slowakije verder gevlucht en wist zo de oorlog en de naziterreur te ontlopen.
In Seattle werden wij na negen jaar van scheiding stralend ontvangen door mijn moeder, Vera en Fritz. Voor mijn moeder was het een ongekend geluk haar kleinkind Irene te mogen vasthouden.
Korte tijd na ons bezoek moest ze een operatie ondergaan die geen beterschap bracht. Ze stierf op 16 februari 1949.
Haar tweede kleinkind heeft ze niet meer mogen meemaken. Op 6 januari 1950 werd onze tweede dochter Barbara Ann Claire geboren.
Met mijn dierbare zus Vera hielden we door de jaren heen intensief contact. Ze stierf op 11 maart 1986. Haar tweede man, Fritz Engel, was reeds in 1971 overleden.
Ons leven in Amsterdam nam zijn loop. In 1951 werden wij genaturaliseerd en hiermee verwierven ook onze kinderen het Nederlanderschap. Zij waren allebei nog statenloos geboren.
Ik kon als confectionair mijn succes uit mijn vroegere beroepsleven voortzetten. Ik stond bekend om een modieuze jeugdige stijl en net als voorheen reisde ik tweemaal per jaar naar Parijs om daar inspiratie op te doen voor onze zomer- en wintercollectie. In het zakenpand van de Firma G. Klein aan de Keizersgracht 27 waren het kantoor gevestigd, een stoffen-magazijn, een magazijn voor accessoires, het modelatelier en de expeditie. In de showroom toonden de mannequins de collectie.
Als er topdrukte was, bekeken meerdere klanten tegelijkertijd onze mantels en mantelpakken. Aansluitend schreven ze hun orders. Tot onze belangrijkste klanten behoorde Magazijn de Bijenkorf, het grootste warenhuis van Nederland.
In onze vrije tijd gingen we vooral om met Duitse joden, die net als wij voor de nazi’s uit Duitsland waren gevlucht. Er bevonden zich heel wat artiesten onder hen: het echtpaar Nelson, Walter Fein, Harold Horsten, Dora Paulsen. We gingen naar de film en naar de schouwburg, naar restaurants en bars. Maar in het voormalige Café Delicia in de Beethovenstraat kwamen we niet meer. Teveel vrienden, waarmee we daar tijdens de oorlog