een gewoontedier was, viel me het afscheid van mijn collega’s bij Cohn, Wal-der & Co. onder deze omstandigheden extra zwaar. Ik had enige tijd nodig om te wennen aan mijn nieuwe omgeving. Maar mijn chefs, de broers Salo en Max Wolf en het personeel, waaronder drie mannequins, maakten het me makkelijk.
Langzamerhand raakte ik gewend. Voor iemand in een leidinggevende positie zag ik er volgens mijn eigen inschatting te jong uit. Ik was pas 23 jaar en zelfs dat gaf je me niet. Om ouder te lijken, liet ik een snor staan, kocht ik een bril met vensterglas en ging sigaren roken.
Na Fredy’s dood bekommerde ik me nog meer om Vera en ging met haar op vakantie naar Spindlermühle in Tsjecho-Slowakije. Met Erna daarentegen ging ik niet echt op reis. Soms gingen we een weekend weg naar Neu-strelitz, Buckow of een van de andere stadjes in de buurt van Berlijn. Verder vermaakten we ons zoals we gewend waren: We gingen ’s avonds uit, bij voorkeur naar Kü-Ka, waar we elkaar voor het eerst hadden ontmoet.
Ruim twee jaar later begon ons geluk de eerste barsten te vertonen. We gingen een paar weken uit elkaar. Ik maakte kennis met een actrice, die met het spelen van filmrolletjes de kost verdiende en begon een relatie met haar. Ik maakte daar geen eind aan toen het met Erna weer goed kwam. Ik sprak er niet over.
Op een avond wandelde ik met Erna over de Kurfürstendamm. Twee ‘Reichswehrsoldaten’ kwamen ons tegemoet. Plotseling stak een van de twee een been uit om me te laten struikelen. Het lukte me nog net om overeind te blijven. “Weer zo’n jodenjongen met een Duits meisje”, scholden die twee in uniform.
Op dat moment machteloos, stuurde ik later een brief hierover aan twee liberale kranten, die hoorden bij de Uüstein Verlag en bij VerlagRudolfMosse. De redacties vonden het niet de moeite waard om er maar een letter aan te wijden.
De Republiek van Weimar was na de dood van Friedrich Ebert op 28 februari 1925 voelbaar naar rechts opgeschoven. Hoewel de economie herstelde en orde en rust weerkeerden. Maar ik vermoedde dat het een broze vrede was.
Begin 1927 verscheen mijn beschermheer Brodmann opnieuw. “Het is tijd”, deelde hij mij mee, “dat u van baan verandert, om verder op te klimmen. De firma Cohen & Kempe zoekt een confectionair, die een afdeling moet opzetten in het duurdere segment. Ik hoef u niet uit te leggen hoe aantrekkelijk het is om voor zo’n gerenommeerd bedrijf te werken.”