24 februari 1944
Lieve Rutteke,
Dank voor je brief, die ik juist gisteravond ontving. Ook dank aan mams. We zijn net als ondergrondse stroompjes die plotseling te voorschijn komen. Het isolement was nogal draaglijk, in de wetenschap dat ik dicht bij familie en goede vrienden zat die mij niet hebben vergeten. Aan de appel herkent men de stam. Het leven gaat snel, al schijnt het soms ook wel stil te staan. Ik ben de gehele dag werkzaam, zodat de tijd ten slotte vliegt. Vele vrienden zijn vertrokken, andere zijn erbij gekomen. Vlak in mijn buurt zijn Andries Sternheim, een jeugdvriend, en Bram Ricardo, uit Den Haag, gelegerd. Ook een oude Indische vriend. Dat maakt het leven vriendelijker en draaglijker. Van tijd tot tijd weer eens een goed principieel debat met sterke argumentatie. De geest is gelukkig nog vaardig. Omtrent mijn positie ben jelui wel op de hoogte. Voorlopig blijf ik, zoals het eruitziet, nog hier. Met het doorbreken van de zon wordt het verblijf hier weer milder: ’s morgens vorstig, overdag zonneschijn, die koestert. Gezondheid geeft geen reden tot bijzondere opmerkingen. Ook voedselpositie niet; ben er tot nog toe goed doorheen gekomen. Helaas is het jongste pakketje op dwaalwegen geraakt en is mij voorbijgegaan. Gezegend zij de profiteur, die wel honger gehad zal hebben. Wat het volgend pakketje betreft, daarvoor gaat hiernevens een zegel, opgenaaid. Stuur het
69