349
een snerpende vorst. En toch een droef gezucht
stil smart gekerm, gesmoorde tranen sprangen
twee kindertjes bedolven onder sneeuw bevangen door de kou
trachtend van elk een gave te erlangen
Een kleine aalmoes kermt de vrouw.
Gij arme vrouw gij zijt wel te beklagen ’k voel de smart die het u lijden doet om zoo voor uwe kindren brood te vragen.
Ik lijd met u, o ween! O, tranen doen zoo goed.
Dinsdagavond.
IX.
Ook ik was kind, ook ik had kinderen-illusie,
Ook ik had graag ’t moois dat ’k bij and’re kind'ren zag.
Doch niet lang mocht ik kinder-denken houden,
’k Was groot en slank, verdiende vroeg reeds geld.
’t Brood verdiende ik met mijne arme ouders,
Die in den vreemde zochten hun bestaan,
Geen thuis, geen school, was mij ooit toegewezen Als paria in woestheid opgebracht.
O, vreugdevolle kinderjaren
Wat bracht gij mij blond kind voor vreugd en heil,
O, gouden jeugd, vol zonnige lentedagen,
Voor mij geen lente en voor mij geen heil.
En dikwijls kwamen rijke heeren,
Ze vroegen aan mijn moeder mij te koop,
Belust op ’t mooie, blonde kinderhoofdje,
Mijn goudblond haar, mijn flinke vorm en leest.
O rijken, die armen het brood ontnemen,
Uw geile zonen, die met hun kapitaal De dochtren ook trachten af te koopen Als zwarte zorg de ouders nijpend drukt.
O, maklijk valt het meisjes der hooge standen Te smalen op de diep gevallen vrouw,
Voor hoer en dief u neuzen op te halen Als gij op kostschool of bij moeders pappot zit.