68 Teutoons tellings-No cturne.
Het waren twaalf duitsche straatmuzikanten, die Wagner speelden en L o r e 1 e i en marschen en L i e b Vaterland en beleefdlijk ’t Wien-Neerlandsch.
Ze toeterden fel en schel, met neusgeluiden en kwakken.
Ze bliezen in tegen den wind, hadden steenen gelegd op de bladen muziek.
Ze rommelden, trommelden en de tuba jankte melan-koliek, de pistons en trombonnes overkeffend.
Ze spanden hun koonen en verpaarsten van schetter-geweld.
Ze zaten met dufFelsche jekkers, de petten diep op de ooren, bang voor ’n kou na de zweeting des dags.
In de bak kromde de zeehond z’n buik en z’n kop wreef langs den wand, pogend den rand te bereiken.
Maar z’n vinnen hadden geen vat, konden niet helpen, telkens kwakte-die neer op ’t eindje sigaar, de tabakspruim, de ulevel, de gebrande amandlen.
Z’n oogen, wijd-open, diep van oneindig fluweelzwart, oogen met glazige glanzing en spiegling van ernste gedachten, zochten gedwee, vragend-verwondrend
De koperen toeters schreeuwden, kermden. De hobo repte z’n bas, de klarinet jenkte falset, de trom bomde met stevigen deun.
Het gulpte op de cementen bak toe, om den kop van den zeehond.
En als ’t pauze was, knerpten dichtbij stuk-getreden schulpen, joeg de zee z’n gerucht over ’t land, daverde zachtkens, gesmoord door den duinwand het beuken der branding, suisde ’t uit snikkende kelen.