Ze waren de M o o n 1 i g h t-s i n g e r s en ze waren clowns. Bij mijn weten hadden ze niet meer en niet minder succes dan andere fratsen-makers, deden ze wat anderen pleegden te doen, om ’n publiek, dat uitgaat om den tijd na het negotie-drijven plezierig te doo-den, te gerieven. Met de hand op *t nuchter hart, vermeen ’k dat inderdaad de uitgaande Burgerij na het zes dagen dienaar spelen in winkels en magazijnen, na zès dagen arbeid, zorg, cijfering en benauwdheden, op ’n zevenden dag bij muziek, tjin-geltjangel-vermaak, biertjes en kopjes chocola récht heeft. En daar ’n vermaak ondenkbaar is zonder fn prikkel — we helaas het passioneele van stierengevechten, menagerie-waaghalzerij, hanen-geplukhaar moeten derven — acht ik het een waarlijk genoegen, wanneer het amusement verhoogd wordt door clowns, acrobaten, gymnasten, wier werkzaamheden op den beganen grond, op tafels, ladders, stoelen, trapézes, door de prikkelende, opwindende sensatie van ’n dood-val of ledemaatbrekerij begeleid wordt. Daar zijn