SORRIE. 95
Lou wiemelt angstig raar. „Maak in Godsnaam zooveel gespen niet los,” roep ik benauwd, ’t Is toch heel gemakkelijk om ’t los te maken, maar strakjes weet je niet hóe de boel weer moet zitten. Zoo. Sorrie wandelt den stal in. Lou en ik achteraan om toe te kijken, dat ons paard goed verzorgd wordt. Nu Sorrie in négligé staat, is hij niet erg appetijtelijk. Overal waar tuig gezeten heeft, zijn kale, witte plekken en bij z’n oor is ’n open wond van ’t schrijnen.
Toch begint ons paard met groot e opgewektheid van de ruif te vreten. Aan eetlust schijnt ’t hem niet te mankeeren.
We bekijken de sluiswerken, Lou en ik, wandelen een klein end naar de vluchthaven, drinken een glas bier, gaan terug naar den stal. De bediende spant ’t paard voor den wagen, Lou maakt ook ’n paar gespen vast, die hij zeker weet dat zoo gezeten hebben, maar die de knecht weer veranderen moet en we gaan terug. Volgens afspraak stuurt Lou. Ieder de helft van den weg. Het spreekt van zelf dat ik honderd aanmerkingen maak. Ik heb ondervinding, Lou weet ’r niks van. Werkelijk begint Sorrie te slabakken.
„Wat stuur jij slecht!” zeg ik kregelig.
Het is snikheet en ’k wor slaperig.
„’t Gaat best,” zegt Lou.
„Niet zoo slaan.”
Sorrie klotst nu nog langzamer dan ’n paard voor ’n Rotterdamschen tramwagen.
„Hij 's lui van Jt eten,” zegt Lou.
„Allee! Hoep! Allee!”
Over den heeten weg sukkelen we op een chagrijnig drafje, Lou, Sorrie en ik. We komen boeren voorbij, die met stomme gezichten uitwijken en grinniken. „Wil je ’n mes hebben?” roept ’r een.