94 S0RR1E.
Sorrie steviger loopen, om den pastoor te doen zien, dat ik ’t wat goed kan.
Wie beweert dat sturen moeilijk is, spreekt een pertinente onwaarheid. Bij Sorrie althans, heb je maar te roepen: „Allee! Allee!”, wat an de
leidsels te trekken en met ’n bevalligen schok, rukt-ie de panier ’n eind harder vooruit. De zweep kun je gevoeglijk laten rusten, Daar heeft-ie maling an. Die kent-ie blijkbaar zoo lang en zoo goed dat-ie er geen notitie meer van neemt. Ook hoef je niet mèt bedoeling te sturen. Er is maar één weg en Sorrie houdt precies *t midden. Je kunt er gewoon ’n dutje bij doen.
Als je ’t eerst half uur stuurt, denk je natuurlijk dat je leven er van afhangt, vin-je jezelf ’n Piet. Je wijkt een minuut te vroeg uit voor ’n kinderwagentje en bij elke kromming zit je mathematisch aan de leidsels te peueren. Langzaam zakt dat en vooral als je een paar maal prachtig „gekeerd” hebt, begin je je net zoo op je gemak te voelen als Carré met z’n tien Trakkener hengsten.
Zelfs over twee sterke glooiingen van den weg trok Sorrie den wagen met zeker gemak voort. De stalbaas heeft gelijk, ’t beest is niet schoon, maar sterk. Na anderhalf uur zijn we in IJmuiden. Voor het hotel Willem Barentsz stop ik met statie, neem Sorrie bij z’n hoofdstel, héél voorzichtig — eens heeft een paard voor ’n sleeperswagen me willen bijten, toen ik ’m streelen wou; zoo iets blijft je bij — en roep den eigenaar.
„Kan mijn paard hier even gestald worden?” „Jawel mijnheer.”
„Wat kost dat?”
„Vijf en twintig cent.”
Lou en ik helpen den man Sorrie uitspannen.