HIJSCHBALK. 91
Het was in de eerste dagen van September. Lou springt z’n bed uit, kijkt naar buiten, holt de trap af. Ik, nieuwsgierig, slaperig, wip er ook even uit — het was ’s morgens vijf — en keek met oogen — die ik natuurlijk zelf niet beschrijven kan — met verschrikte oogen naar de overzij.
Aan de hijschbalk boven het atelierraam had Bokje zich opgehangen. Zijn gezicht was blauwbleek. Het hoofd hing slap-weg. De bril stond op zijn neus.
Links was het medaillon Anno. Rechts dat met 1893. Het Rembrandtmedaillon bleef onzichtbaar. Rembrandt keek aan tegen de posteriores van onzen dooden vriend. En zoo gedegenereerd was ik toen, helaas, dat ik dacht: „Wat zou het vrèèselijk gek staan als zoo in de hééle straat, huis aan huis, menschen aan hijschbalken hingen.”