KIND. 163
» • • •
„Nou, moet je meneer niet antwoorde?”
„... Nee-èè...”
„Zoo-zoo. Kom vrouw, vlug opdoen.”
„Heb je al gebitterd?”
„Ja, buiten. En hoeveel zussies en broertjes heb-je, Mientje?”
„Zeve.”
„Zeven, mijneer,” — verbeterde mevrouw.
„Zeve, meneer.”
„En hóu je van je vader en moeder?”
„D’r vader is toch dood, heb ik je van-morgen gezegd, Piet.”
„O ja... En hou je van je moe, Mien?”
„Ja, mijneer.”
„En hebbie honger?”
„Ja, mijneer.”
Mevrouw bracht ’t eten binnen. Eerst ’t gehakt in een bruin-vette saus, — dan de gesloten schotel met aardappelen, dan de gesloten schotel met worteltjes.
„Zoo, Mien, nou mag jij daar zitte... Knoop jij d’r servet is om, Piet.”
Meneer deelde. Mevrouw brokte ’t gehakt voor ’t kind, schepte aardappelen en worteltjes op. Spits-bleekjes onder de lamp met verlegen-schichtige oogjes zat Mientje voor d’r bord, hield d’r vork vlak bij de tanden vast en begon te eten. Maar mevrouw zei dat ze wachten moest tot iedereen begon en knikte haar toe. — En dan geen hééle aardappele op je vorrek neme. — Zie je, zóó moet je ze breke. — Aardappele afbijte doen geen fatsoenlijke meissies. — En dan goed dicht bij ’t bord zitte en geen saus morse... En je mond toehoue. — Niet met ’n ope mond ete. — Anders zien de mense alles wat je eet. — En dat doen geen fatsoenlijke meis-