SORRIE. 97
t Beest is op,n zegt Lou eindelijk.
„Da’s wat moois! Nog een uur rijden! Allee! Hoep! Allee!”
Lou neemt Sorrie bij het gebit en blijft er naast loopen. Dit helpt ten minste iets. Stapvoets trekt ’t paard den panier voort.
Maar zoodra laat Lou hem niet los, of hij blijft kalmpjes kijken, ongevoelig voor lieve woordjes, stree-len, slaag. Hij wil niet meer, hij kan niet meer.
’t Is over halfzes. Het eten staat thuis koud te worden en er is geen sterveling op den weg te-zien.
Lou trekt Sorrie voort, ik met de zweep over mijn schouder duw den panier van achter. Want we zijn op de eerste glooiing van den weg en Lou kan Sorrie niet alleen naar boven hijschen. De zon brandt vriendelijk op ons neer, op Lou, op Sorrie en mij.
Het is niet bepaald aangenaam een wagen en een paard voort te duwen over een kokendheeten weg. Als ik een paar maal het paard met de zweep aanzet, schreeuwt Lou dat ik hèm raak en Sorrie neemt er geen notitie van.
Zoo komen we om half zeven in het dorp. Lou het paard voorttrekkend, dat op z’n pooten waggelt, ik, achteraan, duwend.
Bij den stal kijkt Sorrie ons met z’n bloederige oogen vreemd aan. Wij zijn de eerste passagiers die hem getrokken hebben.
Schetsen Falkland.