MEN MOET ZICH WETEN TE REDDEN.
De maarschalk Castellane liet op zekeren dag, bij Lyon, in eene brandende hitte een groote manoeuvre door zijne troepen uilvoeren. Gedurende oen levendig geweervuur bemerkte hij twae grenadiers, die, uitgeput van de warmte, achter een heuvel op het gras lagen te slapen. De maarschalk reed ijlings op hm aan en riep: »Lutje vlegels! wat, gaat gij liggen slapen en dcret niets, terwijl uwe kameraden vechten?” — »Pardon, mijnheer de maarschalk V9 — antwoordde een der grenadiers, — »we stellen de gesneuvelden voor.” — De maarschalk lachte en reed terug.
LACONIESCH ANTWOORD.
Na een bloedigen veldslag had Blucher zich Ier ruste begeven. Een adjudant kwam hem plotseling wekken met de woorden: »de vijand maakt eene beweging,’1 — »Zoo waarlijk!” — was des vorsten antwoord, terwijl hij zich omkeerde en op de andere zijde ging liggen, — »meld hem dan dat ik ook eene beweging gemaakt heb«n
ZEER GEVOLGELIJK.
Een reiziger onderweg een zeer armelijke herberg binnentredende , zag een hond, wien het wel was aan te zien, dat hij veel honger leed. Hij vroeg den waard: »Wat scheelt den hond?0 — »Hij eet niet.'’ — »Waarom niet?” — »Wij geven hem niets.” — »Waarom niet ?” — »Wij hebben niets.”