Geruimen tijd na den dood van zijne vrouw bleef hij onzichtbaar, reisde, trok, hèrtrouwde. Ik verhaal dit alles in ’n paar woorden, ofschoon er jaren mee gemoeid waren en het maar gekkigheid is dat ’n jaar om vliegt — als je wérkelijk verdriet hebt
Hij hertrouwde.
Je zou ’m dertig gegeven hebben. Z’n baard had ’m veranderd, z’n gezicht wTas hetzelfde.
Zij, ’n jong vroolijk ding, scheen smoorlijk verliefd, sprong zoo aardig en vriendelijk met ’m om, dat ’t ’n lust was ’n dagje bij ze door te brengen.
Toch leefden er dikwijls herinneringen in me op. Het huis was een ander, vele meubelen waren gebléven.
Dan dacht ik onwillekeurig aan de eerste vrouw, die ’k ook servetten en linnengoed had zien nemen uit de gebeeldhouwde mahoniehouten kast en zilver uit het massieve buffet — en bevreesd dat Wim iets in m’n oogen zou lezen, keek ’k raak voor me heen, alsof ’k te soezen zat.
Op een middag dineerde ik bij ze. We hadden in de voorkamer gepraat, kwamen plots in de hel-derverlichte eetkamer. De tafel was gezellig gedekt, de Delftsche borden op ’t bruineffen behang lachten