176 IK ZEND EEN BOUQUET.
„Nee mijnheer,” zei hij verwonderd, „die is betaald.”
„Wat zeg je?”
„Net van morgen” ...
Ik informeerde. Hij wist verder niets. Het geval verblufte mij. We leven in geen sprookjestijd: wie gedroeg zich zoo goedertieren tegenover mijn beertjes ?
Ruiker-jog kreeg zijn laatste dubje, bedroefd dat-ie zóó’n goeien klant verloor. Ik vertrok. — ’s Middags thuiskomend vond ik een lief briefje èn de beruchte quitantie ingesloten:
„ Mijnheer,
Als wèèr een van mijn dochters trouwt, verzoek ik van uzv bouquetten verschoond te blijven.”
Het was de schoonvader van de Prinsengracht no____
De bloemist had hèm de quitantie gepresenteerd.
Half gebroken zonk ik in den eersten den besten stoel. En wéken aaneen was ik ondersteboven. Nu mijn vriend Bernardus de Bon zijn derde kindje op komst heeft... kan en durf ik eerst dit schandelijk geval uit mijn jeugd verhalen.