BETREFFENDE HET NUT EN DE VOEGZAAMHEID VAN VIVISECTIE, HET TREKKEN VAN KIEZEN — EN ZOO VOORT (ZÉÉR VERWARD).
Aan Prof. Dr. J. van Rees.
WelEdelhooggeleerde Heer.
Mag ik u even — zoo en passant — mijn dienstmeisje voorstellen ? Ze heet Coba en nog wat. Zij is achttien of negentien, draagt mutsen en snoept niet. Ze kookt, verstelt, wascht. Ze schuurt nat en droog. Ze heeft een vrijer — meen ik, evenwel nooit aan de deur. Zij kan tegen standjes, verslaapt zich zelden, houdt zich op een afstand van andere dienstmeisjes. Ze luistert matig aan deuren, komt vrij vlug van boodschappen terug, schilt de aardappelen behoorlijk (niet te dik), is zuinig met brandstof en vrindelijk tegenover (mijn) crediteuren. Ze is niet mooi en niet leelijk, gedraagt zich eerbaar, huishoudelijk, toegewijd. Ze zingt, springt haar moeder met geld bij, slaapt zonder gesnurk — wat mijn puck allerhinderlijkst doet: lastig niewaar ? — snuffelt bescheiden in mijn papieren, is goedhartig, kent de goedkoope winkels èn de dure, weet ’t onderscheid tusschen een bokking met kuit en een met hom, dito met haring, heeft zes broertjes