148 L UNCHR O OM- fUFFR O UW.
zién ontbijten en eten — ik zag voor het eerst het eten van een medeschepsel.
En voorwaar, gij allen die dit leest of hoort, meent niet dat gij het tot heden wèl gezien hebt — zóo gezien, met zulk een gespannen aandacht, dat gij er een getrouwe beschrijving van zoudt kunnen geven.
Juist de dingen die ge eiken dag, van nabij, ziet of hoort, let ge niet op, hebt ge nóóit opgelet.
Ge weet niet wat eten, wat praten, wat kijken is — en een menschzieneten: dat weet ge het allerminst.
Ik verzeker u dat het léélijk is — meer dan leelijk, het is afschuwelijk, monsterachtig, ergerlijk — het is een infernale bezigheid.
Op het rampzalig moment dat ik den langen blonden zag happen en kauwen, bemerkte ik plots een zóó groot aantal curieuse détails in zijn gelaat, dat ik verwonderd bleef staren.
Dat was mijn fout. Dat veroorzaakte het gevoel dat mij nu élk oogenblik hanteert.
Ik zag zijn gelaat duivelsche trekken aannemen. Zijn lippen mummelden, bobbelden en plooiden — zijn kin bewoog mollig of spichtig in den trillenden baard. De snor drilde, de koonen builden en strekten, de slapen geleken te knarsen in het vel.
Het was héél anders dan ik het hier zeg.
De beste auteur van de heele wereld zou geen zuivere impressie van een etenden menschenkop kunnen geven, noch een schilder, noch een photograaf.
Hoogstens zou je er iets van snappen en dan nog maar een „iets” — omdat een fatsoenlijk ontbijt minstens een kwartier duurt — wanneer de reuzenbiograaf je vijf minuten lang een rustig-kauwenden manskop deed zien.