186 HENRI KEER TERUG.
een rollade omkrullende tong te bevrijden, de haard-dampingen te weren — vergeefs — vergeefs — mijn angst-doorhuiverde haren staken als naalden in ’t kussen — het koude zweet, wrikte met zetjes over wangen en kin.
De dienstbode, die om acht uur kwam porren, ontzette me. Ik kón nog niet opstaan. Gebroken mijmerde ik voort onder 't dek en p i n k t e — ook een man en auteur heeft sentiment — een traan weg.
Immers de stem van mijn geweten sprak en zeide overtuigend: „Falkland — die man is je offer — je heb dien man verjongejandn.
Helaas!
Hier helpt geen chicaneerende ontschuldiging. De wreede dood van een vliegenzwerm op ’t berucht papier, ’t krijschend gegil van ’n rat in de val, ’t geworstel eener muis onder den klauw eens gebelg-den katers, ’t slijmrig gestuip des palings, ’t te pletter grijpen van den mol, ’t besproeien met sublimaat der bacteriën, ’t levend te kokend water werpen van garnalen — ’t is alles martling èn gemeen, doch misschien te verdedigen.
Een vrouw die haar man vergiftigt om een ander te bezitten — het is gruwzaam, evenwel algemeen-menschlijk en geschikt voor een drama.
De broeder die zijn broeder doodt, uit hebzucht, de grijsaard die een maagd huwt in hartstocht, de dochter die haar moeder Pruisisch blauw voert om te erven — wee en nog eens wee — vloek over dit geslacht — je rilt en beeft en schreit er bij...
De historie is er vol van.
Sluipmoord, listen, lagen, bloedschande en flacons v e n e n a, vullen de bladzijden der wereldgeschiedenis, waarlijk met bloed geschreven. Het geweten der menschheid is een luguber ding. Elke schrede