Tot uw diep-bedroefde familie ...
Ge staat in een verkeerd teeken.
Keer terug! Henri. Henri de Vries.
Ja, mijn vriend, mijn dierbare en zéér toegenegen kunstbroeder, de tijd lijkt gekomen om U in het publiek — dat uw én mijn terrein is — de vrindschappelijke waarschuwing te herhalen, die ik u voor maanden reeds vertrouwelijk gaf.
De laatste nachten heb ’k een weinig zwaarhoofdig geslapen.
Half wakker, half droomend, doorwroegde me zeker gewetensgewriemel.
Alle ondeugden en bezwaarlijke daden mijns levens schimden als norsche fantomen, drongen te hoop, klitten tezaam, slierden in eindlooze, wrevelige reeks.
Vermoeid en mismoedig óf onmachtig tot slaap, wreken snoodheden zich.
Gegapte appelen worden hideuze pompoenen, gemoerde centen uit moeder’s vertrouwlijke beurs luiden alarm, dreunend en grommend in ’t binten-geweld van ’n toren.
Mijn vriend, ik ben niet zuiver op de graat.
De wormstekigheden mijns gemoeds zijn ontelbaar.
Zoowaar, af en toe, schoon niet aandringend