VAN DROOG GENOT. 133
z’n plattelandsche gemoedelijkheid te verliezen. Geen wateren der zee, die we bij dag en nacht hooren, wisschen huiselijke smetten. De badkoetsen staan nog op stal. ’t Is warm en niet warm. En o, ’t bereikte ideaal, ’t verlangen van jaren, glimmend aan den wand en weder ontglippend! De smart van het hebben, ’t weder verliezen. Het smachtend kijken naar de gaatjes, ’t eenzame traantje, zwellend en nokkend-van-val, als bij hevigst leed. Edelachtbaren, mag ’t zoo — moet ’t zoo ? Is er geen roering in uw gemoed, als ge me weet — ontdaan van tricot sokken, flanel, smachtend als een landbouwer bij norsche droogte? Gaat gij, Edelachtbaren, Zaterdagavond in de kuip, neemt ge uitsluitend ’n voetbad, of zijn u de wateren des hemels voldoende tot aan uw om geslagen hemdsmouwen? Thans kom ’k nogmaals uiteenzetten, pleiten, smeeken. Wee, de auteur, die gezwiept wordt te hoonen .. .
Dit was nu een onzer opperste verlangens. Bij benauwend zomerweer en avond-broeierige luchten spraken we er koozend over, kiezend de koelste, luwendste, onhartstochtelijkste woorden. De klank van het ding alleen gaf de sensatie van smaaklijk welbehagen. We zeien het zacht en teeder, koesterend, vrindelijk. Het was geen woord om luid te beweren, geen woord van geraas en ontstichting. Je lippen gingen er peinzend bij open — je tong proefde ’t gerucht — je huid ademde als in sponzige voeling.
Jaren geleden reeds poogde ’k.
De smid van ’t dorpje, waar we toen woonden, maakte ’n ijzeren bak naar mijn ontwerp — we pompten water uit den put, zetten twee emmers gereed èn den tuingieter en zoo kunstmatig, niet op ’r volkomenst, noch op V vloeiendst hadden we