VAN DROOG GENOT____
Edelachtbaren, Edelachtbare Heeren, WelEdelachtbare Heer, het is noch lekker, noch prikkelend, noch héèlemaal verfrisschend. Er hapert een kleinigheid aan. Klarinetgeluiden doen ’t ’m niet absoluut. En geduld stompt af, zoo als iedre menschlijke qualiteit die misbruikt wordt. Van morgen heb ’k, verbolgen kuierend, als Adam, mijzelven in den spiegel zien vloeken, en m’n blooten hiel an’n kromgetrokken randje van ’t vloerzeil, al stampend-grommend tegen Marie, de nieuwe dienstmaagd — Teun is vort — die ’r géén schuld aan had, daar ze de voorstoep, zónder water, veegde, bezeerd. Vanmorgen, WelEdelachtbare, Edelachtbaren, heb ’k ’n kwartier noodig voor m’n handen, ’n kwartier voor m'n gezicht, ’n ruim kwartier voor m’n tanden en eindelijk, opge-hitst, gejaagd aan ’t ontbijt verschijnend, kreeg 'k de eerste (gerechtvaardigde) douche van m’n vrouw, die stijf van verwijt naast de stijf en groen geworden gebakken eieren zat. WelEdelachtbaren, Edelachtbaren: te lang gesmoorde eieren zijn wanstaltig, leerlappig, dag-verstorend .... Gister was de thee zwart als inkt. Eergister lei ’t restant schol an de pan gekleefd. Vooreergister was ’t wat anders, ’t Gezellig ontbijt, na een kalme reiniging des lichaams, dreigt