i3o DE STOEP MET DE GOUDEN EIEREN
stond te strijken in ’n smoorheet kamertje — in de bedstee lei de man te snurken.
„’k Kom maar is anloopen,” zei ’k zonder omwegen: „omdat ’k ’t zoo raar vind dat je twee kinderen Annetje en Maartje al viermaal geld bij me op de stoep hebben gevonden”.....
Het strijkijzer lei zwaar onder ’r rood-sterke hand. Angstig keek ze me aan.
„Viermaal,” herhaalde ’k: „telkens op Zaterdag — veertien, drie en veertig, vijf en zestig cent, vandaag 9n gulden. Dat wordt ’n beetje verdacht”____
De man in de bedstee, ’n geelbleek, vroeg-oud mannetje, werd wakker.
Ik vertelde het nog eens.
Toen begon de moeder te huilen.
En de vader keek stomp naar den grond.
Ze deeën alsof ze wat geheim wouen houen.
De moeder, snikkend, kon ’t niet kroppen.
„ .... O, o, dat me kindere dieve binne gewor-de... Me man het al viermaal cente gemist die die af most rekene bij z’n patroon”.
„Ja,” zei de man, gegeneerd-angstig, naar de tafel wijzend, waar papieren lagen en uitgetelde centen: „’k Zit me kop gek te prakkezeere, waar ’n gulden kan gebleve zijn — want ’n vrouw denkt zooveel — en ’t is al de vierde maal” ....
„En de cente leien altijd achter slot,” huilde de moeder: „O, o — ze komme in de gevangenis.”
Met moeite kregen ze ’t later uit de twee zusjes. De een wou de ander niet verrajen. Centen van vader stelen, om te versnoepen, dorsten ze niet. Toen had Annetje ’t spelletje verzonnen van geld op onze stoep vinden en als ’t zóo niet ontdekt was geworden, waren ze voortgegaan met uit vader’s geldzakje te némen — enkel voor de ééne cent