Het was laat in den avond, dicht bij twaalven. ’r Waren al rillige spookhistories gelanceerd, histories van moord en doodslag, histories die de vrouwen deeën oogknippen, histories waarbij telkens gesoebat werd, om-’t-nou-is-over-iets-anders-te-hebben, toen onze vriend Barend, die genoeglijk geluisterd had, genoeglijk ook omdat-ie mal-verliefd den heelen tijd de hand van z’n vrouw vastgehouen had — menschen nog wel die acht jaar getrouwd waren — toen onze vriend — herzeg ’k — losjesweg ’n bakerrijmpje neuriede:
.... Toen 11 kindje op de wereld kwam,
Al uit zijn donker hoekje,
Toen dronken de vrienden wijnkandeel,
En ze wonden ’t in een doekje.
„Hè, ja! Goddank, Barend," zei een der vrouwen, bleek geworden van de gruwelen, die de ronde dokter verhaald had — hoe-die is iemand geopereerd had, die enz. — *n allerakeligste bloedhistorie — * goddank, dat jij ’n prettiger onderwerp aanroert" .. . * „Prèttiger," zei Barend, de hand van z’n vrouw loslatend, wat ’t bedenkelijk teeken was, dat-ie iets érnstigs te zeggen had: „nee, om den drommel niét prettiger. Jullie heb ’r allemaal zoo’n schik in