NIRVANA. 167
ruiten het trage gegalm van een venster — en vaag gerinkel van een trambel — en uit een der ramen der binnenplaats gefluit, licht gefluit, gefluit van een werkenden man — en weer donker gonzen van veel stemmen uit de straat...
Zij hoorden het aan, zonder bewegen, als leven van al doode dingen.
Hij gehurkt op het bed, het hoofd in de handen, keek met groote, glanzende oogen naar de tulle gordijntjes, naar het grijze der wezenlooze vormen aan de overzijde; zij rustend tegen zijn knie, zag het sterkere licht van den hemel dat de bovenste vakken der tulle wit tegen grijs zette.
Even was in hem een opwekking gekomen door den arbeid, dcfor het vullen der raam- en deurreten. Het had hem afgeleid, groot werkelijkheidsgevoel gegeven. Maar nu weder in het zwijgen der kamer met de regelmaat van bekende geluiden dichtbij en zoo ineengehurkt, kroop in hem op de apathie van straks, het leege, grijze, vale van overmoezijn en wel willen rusten, rusten na het gezwerf, het hooplooze zoeken weken en maanden en telkens weer het loome trappengeklim en den volgenden dag opnieuw het gebedel bij die-en-gene* het sloffen in de drukte der straten, het plompen in de volte, het hangelen voor etalages — en weer terug, een hoog, twee hoog, drie hoog, vier hoog — dan de deur in het donker portaal — en haar vragende, matte oogen.
„Waar denk je aan ?” vroeg zij plots, opziend naar het groote wit zijner oogen.
„Aan niets,” zei hij, opstaand. Hij ging naar de kachel.
Zij zag hem doen.
In den ijzeren pot lei hij de smeulende kolen, hoestend in den walm, de kolen en dan de turven