MIJN BEGRAFENIS.
onder de kransen ligt. Ze kost je, om te beginnen, persoonlijk geen cent, geen minuut financieele zorg. Je nabestaanden betalen. Die deelen oók in de eer van de éérste klasse. Uit den benauwden doofpot van je kleinburgerlijkheid wor je plotseling, kosteloos, in het volle straten-lawaai gebracht, gereden in je eigen equipage met bedienden in ornaat, die respect voor je hebben. „Mijn jongen,” zeg ik tot mezelf: „Wat verheffend en touchant als je letterlijk begraven ligt onder kransen. Als je goed telt, al je familie, je ooms, je neven bij elkaar krijg je nog meer volgkoetsen dan de meneer die daar rijdt. Wat zal dat deftig en aandoénlijk zijn, mijn jongen. Je heele leven ben je door geen lakeienpak bediend en nu loopen er dozijnen om je kist en bij de portieren van elke volgkoets. Wat staat hun dat kostuum, de zwarte liverei schoon. Welk een tonige eenvoud van zwarte tressen. Je boft, mijn jongen. Eindelijk steek je dan eens anderen de oogen uit. Het heeft lang geduurd, maar nu ben je er. Adi slager, kruidenier, groenteboer, bakker, melkboer, huurbaas, belastingautoriteiten, kleermaker. Adi. Ik lach jullie uit. Ik, onder mijn deftig zwart laken en mijn kransen. Ik die hier alleraangenaamst lig, terwijl mijn ergste vijanden, zélfs mijn buren goed van me dienen te spreken en niemand iets van me te vorderen heeft. Mijn jongen, dit is de couronnement de l édifice. Een eerste klas begrafenis is de grootste bofferij, een vriendelijk feest zonder grauwen morgen of haarpijn. Alles concentreert zich óp eens om je heen. En die dure kransen ... en die dure koetsen. .. en die dure rokken en overhemden ...
Werkelijk, het denkbeeld van met veel ceremonieel, veel nette rijtuigen, veel kransen begraven te worden is een vertroostende eindgreppel op het grasveld van ’t leven, waar we rustig te grazen