MIJN BEGRAFENIS. 14 7
heid, uit verlangen naar hevige contrasten of andere gemeene drijfveeren. Integendeel.
Het zou voor equipages hoogst compromittant zijn, wanneer haar aanzijn bij herhaling door het mijne gedeclineerd werd. Ik gevoel levendig, dat een equipage en Falkland er twéé zijn. Mijn predestinatie was de tram, in brooddronken buien een aapje. Ik zou allicht neiging hebben tot mijn palfrenier te zeggen: kom naast me zitten, vriend. Om een symbool te gebruiken : de trams zijn de magere lapjes van vijf-en veertig cent het pond. Maar dit wordt op deze wijze een reeks flauwiteiten en ’k moet aan serieuze dingen toe komen.
Wanneer ik zeer pertinent verklaar, dat ik volkomen tevreden ben met mijn maandelijksch budget, heelemaal geen begeeren heb naar brandkast, noch andere veiligheidsmaatregelen, ’t opperbest kan stellen met driecentssigaren, enzoovoorts (verdere intieme details alweer overbodig) dan zal niemand mij waar* schijnlijk aanzien voor een dier mopperende burger-luidjes, die over den „rijkdom” chagrineeren en soci-aaltje uithangen omdat ’n ander zooveel meer duiten heeft.
Maar tóch — hier begin ik langzamerhand warm te loopen: deze heele opzet is maar slap gepuf — heb ik wel eens ’n bui van luilekkerlandsverlangen en in het bijzonder hoop ik te gelegener tijd een eerste klas begrafenis te hebben. De sprong is idioot. Let op de malloote climax:
{huishoudboekje
op dineeren in ’n equipage
begrafenis,
maar dat doet ’r weinig toe en het verband komt straks. Dikwijls dacht ’k bij mezelf — als ’k ’r weer en nóg eens over peinsde dat ’n eerste-klas-begrafenis