142 BOEREN.
uur gewerkt heb, heb jij ’r weer afgedaan ? Zoo .zoo...”
„Welja,” zei de vrouw, breiend met ruwe beweeg en nijdig neerziend naar den grond. Haar gezicht was grof, grof van neus, mond en oogen, lomp-goe-dig gezicht, bruin van sproeten.
„En wat heb je dan op de wonden gelegd ?” — vroeg de student weder kalm, wel wetend uit gast-huis-ervaring dat drift hier niet hielp.
„Pap,” zei ze bot, de dikke naalden priemend in wol. Vrouw Jaap knikte goedkeurend en haar buurvrouw te hulp komend zei ze:
„Wel ja, niks dan klieren.”
„De zuster van den pastoor het ’t ook,” redeneerde vrouw Blok, geen notitie meer nemend van den student.
„Wel ja — ’t bloed dat mot wèrke,” zei vrouw Jaap, wijs: „niks geen kwaad, hoor — niks geen kwaad. ”
„En al die lappe op ’n wond,” zei vrouw Blok weer: „’k heb ’t er daalijk weer afgehaald, daalijk hoor... en d’r ’n pakkie van gemaakt... ’k Wil d’r niks van hooren...”
„Allemaal vréemdigheid,” zei vrouw Jaap weer: „mijn vader zei altijd: pappen...”
„Wel ja — pap is ’t beste,” knikte vrouw Blok. En er kwam een stilte. Vrouw Blok, breide met ingehouden kwaadaardigheid over de last en de moeite van gister — de natte tafel — en de drie schoone handdoeken — en het schoone hemd — en die anmerking over de beddelakens — en dat geloop telkens heen en weer om ander water — en ’t gesnik van Jacob, ’n jongen van negentien, die anders nooit huilde. Vrouw Jaap stond wijs-geerig te lumlen, handen gespreid op den buik en lachje van botte verlegenheid over ’t gezicht, omdat de m meester ” niks zei.