LIEFDESGESCHIEDENIS. 135
hoog”, die me toeknikte, terwijl een paar vuurroode, blakende armen met karmijnroode worstvingeren aan het ploeteren waren in een emmer met roode kool. Het geval leek me niet idyllisch en onverschillig liep ik op en neer in het tuintje, bedaard rookend mijn pijpje. „Twee hoog” zat te breien voor het raam en „drie hoog” wiegde het peenharen kind in de armen.
„Een hoog” werd intusschen ondernemend. Ze had waarschijnlijk wel eens gelezen een ridderroman en ontdekt dat jonkvrouwen er toe komen een waaier of zoo iets te verliezen (een waaier hoort nu wel niet bij een jonkvrouw, maar in een roman mag alles) en dat de ridder dan haastig den waaier opraapt en dien aan de geliefde overhandigt met een „Zwaar beminde Adelgunde” . . . etc. — en ze meende daar ook wel toe te kunnen overgaan. Alleen bij gebrek aan een waaier, liet ze een vaatdoek uit het raam vallen. „Gompie, meneer, ik laat me va-doek valle ...” „Wacht u maar even, ik zal ’m wel opgooien.” „Wil ik ’m nie-liever komme hale?”
„Wel nee, ’t gaat zoo best ...”
En de vaatdoek ging netjes door het open raam naar binnen.
„Dank u vrindelijk.”
Ik ging naar binnen en bleef verder aan ’t werk. Maar den volgenden dag, tegen twee uur, toen ik mijn gebruikelijk wandelingetje in den tuin deed — ik loop altijd ’n kwartier per dag op en neer — kraakte het raam en „één hoog” loerde op me. Net ’n poes. Of ik links of rechts ging, de oogen gingen mee. Mijn geliefde schilde nu aardappelen en als ik opkeek pikte ze handig de pitten er uit.
Het duurde geen twee minuten of er viel weer wat. Nu was het geen vaatdoek maar een haarkam uit de 30-cent bazaar.