Ik herinner mij dat ik een woning gehuurd had — ergens buiten, een tuintje voor, een tuintje achter, vriendlijk plekje bij boerenxnenschen.
„Jansen,” zei ik daags daarna tot een boer: „ik kom te wonen naast Gijsje.”
„Naast Gijsje,” zei hij met een grijns van beklag.
„Waarom lach je?” vroeg ik natuurlijk, wetend dat de grijns van een boer is zwaar van beteekenis.
„Wel,” zei hij, grijnzend-maar-door: ,,’t zal mij wonderen hoe jij ’t daar uithoudt, ’t Huis wordt opgevreten van mieren, ’t Is gebouwd op ’t gras en wat j’r an doet, je krijgt ze ’r niet uit. ’t Is gewoon ’n mirakel” .. .
„Jeuken ze ?” — vroeg ik, daadlijk het ergste geloovend.
„Jeuken!” —, grinnikte hij: „nee in je bed zullen ze niet kommen. De rooie steken wel, maar voor zoover ’k weet zijn ’r bij Gijsje alleen zwarte. Maar al je zoetigheid dragen ze weg. Een broer van mijn het ’r gewoond en die was getrouwd en de bruidstaart wouen ze opeten na ’n dag of zoo dat-ie in huis was gehaald en zwart zag-die van mieren.”
„Nou als ze niét jeuken en niét steken,” meende ik goedig, „laat ze dan maar begaan.”