MEENIN GEN OVER S. FALKLAND. 117
schandelijk despoot. Als wij hem gehoorzaamden stierven wij met geen andere visie van het buitenleven dan zijn hakken en broekranden. Ik vraag: is zulks voor ons een genoegen? Is het niet verre van esthetisch?
Toos: En in deze gevangenschap moet ik eerstdaags moeder worden!
Boddy: Zélf eet hij magere lapjes: wij moeten ons vergenoegen met rijst en nog eens rijst. Zou het een van ons in het hoofd opkomen rijst te eten als wij in vrijheid leefden?
Tips: Onze voorouders zouden ons smakelijk uitlachen als ze ons hier zagen als vegetariërs!
Toos: En mijne ongelukkige kinderen in slavernij geboren!
Boddy: Hoe zonderling is het bestaan van dezen man, mijne vrienden. Laten wij hem beklagen, hem met ons staartgekwispel voor den gek houden en meelijdend aanzien zijn dagelijksch pennegewurm.
Liever is het mij in lijdzaamheid zijne scheeve hakken te volgen dan dat ik zoude neerzitten, pogend de onsterfelijkheid te verschalken.
In ieder geval verschaft hij ons een bete genoegen.
Ons zwijgen is veelzeggender dan zijn gespreek.
Ons is hij een clown, ons een komiekeling.
Kan het gode een welbehagelijk werk zijn zooveel papier te verkladden?
Wat zoudt gij beiden van mij zeggen en denken zoo ik mijne dagen op zijne wijze verliederlijkte met slapen, eten, rooken, pennegewurm?
Er is weinig berustends in dezen man.
Ik bij mijn rijstbak aanschouw dit leven zonder ijdelheid.
Als hij mij niet wascht en kamt; ik zal het niet doen.
Hij laat zich regelmatig knippen en scheren, trekt