Méde in die dagen van jeugdig kabotijnleven, waarvan ik u de vorige week een weinig verhaalde, had ik een vriend mét een hemd.
Daar gij, welwillende lezer, noch door mij, noch door uw entourage op hemdlooze kennissen getaxeerd zult worden, ben ik bevreesd door die eene, me uit de pen glippende expressie, m’n vriend en mezelf plompweg en terdege te compromiteeren.
En toch zeide ik u nog niet alles, liet ik om de zaak te verzachten twee klem*teekens weg — ik had geen vriend mèt een hémd, maar ’n vriend met één hemd, een hemd dat....
Hij was auteur, auteur van sonnetten, auteur van portefeuille-tragedies, auteur van slecht betaald, slecht vertaald vertaalwerk.
Zijn litéraire mérites mogen echter onbesproken blijven.
Met de hemd-geschiedenis hebben zij hoegenaamd niets te maken: uwe veronderstelling, dat ’k op ’t punt sta de hemeltergende armoe, de huiveringwekkende avonturen te beschrijven van ’n geniaal auteur, wiens lijden voor de kunst tot een dusdanige hoogte was gestegen, dat zelfs z’n hemdjes — op dat éene na ’r bij waren ingeschoten — deze uwe veronder-