Angstig keek Riek in de kooi.
Angstig, alsof ze ze wekken wou, riep ze met nadruk-accentjes:.... Pi-èt! .... Piete dan!....
Angstiger, nou toch op grienen af, streek ze ’n nagel langs de tralies.
’t Klepperde vreemd als ’t gewatel van ’n verren ratel, maar de eene Piet lei onbewogen met z’n kopje in den zaadbak — de leege zaadbak van enkel schilvers en pluizen — de ander donsde als een verschrompeld propje in een hoek — geen kop — geen bewegen — geen pootjes.
„Jessus — jessus,” klaagde Riek, en met ’n breed-opbuilende onderlip van-verdriet-dat-niet-los-kommen-wou, smakte ze op ’n stoel, starend, ver-schrikt-starend naar de kooi, de stille kooi, de kooi zonder vladder-geluidjes, zonder gepiep — zonder vogels.
Je hoefde niet verder te kijken, niet langer te zaniken: ’t was gruwelijk, beestig, miserabel — ’t was om de haren uit je kop te trekken van de stommiteit — ach, ach, ach wat ’n ellende: de pieters waren dood — de pieters waren van hónger gestorven.
De stomme dieren, de wurmen, de stakkers.
Schetsen Falkland. VII. 12