io6 KEERZIJ.
Maar in het gespeel der zon kregen de schubben staalsprankels, de vinnen zilvervouwen, de staarten goud-stuivingen, de oogen rood-broeiingen van robijnen en paarse flonkeringen als van dauwdruppels in éérste-uchtend-licht.
Gleed onderlangs, heuvelend, dalend, smijdig van golven gebuig, als een weide zoo tonig, als een grasland met voren en kluiten — de bodem van korrelig zand, grauw zand en vaal zand, zand dat alweer in het plassen der groen-verwordene zon vonkte en vlamde als daglicht-inslurpend koper.
Vandaar dat — om den overgang plat te for-ceeren — zéér inderdaad de reëele geenszins wazige nóch mystieke bloote beenen, kuiten en teenen der golfjes wachtende badgasten, in die atmosfeer van wazige, smachtend-groene waterveschijningen, aller-afstootendst en massief contrasteerden.
De meeting der garnalen, kwallen, krabben, pietermannen, schelpdieren en-zoo-voort, voornoemd, bestaarde na de laatste opmerking des bejaarden garnaals het lijk-gro„en gepuil der dijen, heupen en kuiten.
»Zij zijn dit maal zéér behaard,” bemerkte een poontje, het onnatuurlijk geval wetenschaplijkbepein-zend: „Zelden zag ik zulke mal-gevormde slurven, ofschoon ook dié malheid een oorzaak moet hebben. Hoe behooren wij het verschijnsel te classificeeren? Gansch van onderen zie ik een lap met telkens vijf stompjes, welke uiterste einden in althans eenigszins normale schulpen liggen. Apriori is vast te stellen en ik blijf bij mijne reeds vroeger geuite theorie dat deze leelijk-gele zuilen tot het land behooren, waarop wij ons wijselijk niet begeven, omdat land zónder water-beschutting voor óns alleen een voorwerp van uitermate voorzichtige studie mag