Na een langen, grauwen, ook kouwen winter was de zomer gekomen.
De lieden-van-de-stad zochten het strand op en de helderste hunner begaven zich daaglijks te water.
Het werd een regelmatig, lustig gerij van badkoetsjes, kleine en groote, een plonzend paarden-gestap, een uitbundig plassen, stoeien, gillen, vallen en kruipen.
Dit is bekend, meer verteld, hoogstens noodig tot inleiding en explicatie.
Den eersten dag, na dien langen, grauwen, kouwen winter, terwijl een aantal badgasten trapte en snoof en dikke brandingsgolven hun vet-rugjes bepoeierden, school een deel van het wriemelend bezield gedierte waarvan de wateren wemelen in een nabij-je diepte tezaam.
Er waren garnalen, krabben, kwallen, pietermannen, schelpdieren, tongetjes, scholletjes, zelfs een verdoolde haring en vele andere soorten.
De oogen, half geel, half groen, half-angstig-lichtend, staarden in één richting, in de richting van hèt benauwend verschijnsel.
«Och, och”, zei een kwal: het is er wéér. het