OOGENSPEL. 103
gevonk, tot 'n drabbig geplak van verkoold papier den bodem belei.
Hij haalde ’t winkelgordijn op.
„Moe, wat huil je nou toch — moetje,” troostte ’t kind.
Maar nou heelemaal loskomend, ’t hoofd in de handen, den rug zwaar-hortend schokkend, snikte ze krampachtig, lang-aangehouden, bijna dierlijk.
Een week later werd het accept geprotesteerd.