252
nig spitsneusje. Droge vrouwtje was dik in de vijftig, klein, mager, verdord. Ze was altijd zoo, klein, mager, met datzelfde ouwelijk gezichtje, met dat zelfde onaangenaam spits neusje. Ze was jong geweest én oud geworden, ’t Leven had haar droog, dor gelaten, omdat ze gevegeteerd had binnen de zes wanden van een kist, die als een lichaam bewustloos blijft, den bijzonderen naam van doodkist krijgt, maar vóór dien tijd kamer heet. De kamer van droge vrouwtje, was de cocon waarin ze veilig bij kopjes thee en kommetjes koffie te spinnen lag, terwijl in de wereld buiten zooveel ij s s e 1 ij k e dingen gebeurden, volgens het „Nieuws” dat de krant der verschrikkingen en wereldgebeurtenissen is voor droge vrouwtjes met spits-neuzen. Voor vrouwtje was jeugd gelijk aan ouderdom. Haar vader had een fatsoenlijk pensioentje nagelaten. Het is heel gelukkig, wanneer er zoo’n vader is. Z’n kinderen kunnen dan gerust inslapen in binnenkamertjes. Vrouwtje had vader opgepast tot hij kalm en gelukkig aan drie beroertes stierf.
Ze wachtte nu ook op wat beroertes om heen te gaan.
Sappigheid van jeugd had ze niet gekend. Ze was ééns gezoend op een partijtje, waar veel slemp gedronken en veel bolletjes gegeten waren. Ze was ééns gezoend door een bleeken neef met sproeten in ’n hoekie van de gang en ze had zich den mond afgeveegd, omdat sproetenneef zoo naar tabak en groc rook. Anders was er nooit iets gebeurd. Want ze was droog, mager, dor, een geposeerd oud wijfje, dat verdriet had, wanneer er iemand vuile voeten op de loopers zette, dat den halven dag met een verharenden