DROGE VROUWTJE.
Droge vrouwtje met haar vinnig spitsneusje zat naar adem te happen in den hoogen leunstoel.
In de keuken zong de meid, larmoyant, opzettelijk schel, een sarrend, drensend geluid.
Droge vrouwtje luisterde met de magere vingers tegen elkander.
„Mina!”
Geen antwoord. De meid galmde met harde inzettingen : „ ... Soete,... lieve... swartkop... voel.. .
is... hoe... me... hart... klop” ...
„Mina ... a... a!”
„Ja, ik kom!”
Nog wat gerommel van vaatwerk.
„Ik wou da-je op hiel met je gezang.”
„O mag d’r hier ook niet gesonge worre?”# „Meissie — als dat zoo doorgaat hou je ’t hier niet lang uit... Ik wil geen vrijers an me deur en geen gezang.”
„Best juffrouw.”
De deur ging dicht.
In de voorkamer bleef droge vrouwtje met het vin-