242
„Da’s waar! Ik zal Poel wegbrengen, anders vliegt-ie ’t paard an.”
Boven hingen alle buren uit ’t raam. — „Wat ’n mooi beest!” — „Wat ’n engel van’n dier!” „Meneer, mag ik d’r ’s opzitte?” —
„Nee! Nee! Nee!” schreeuwde ik: „we hebben nou geen tijd, we gaan eten!”
Het paard stond lekker te grazen.
„Heb je biefstuk meegebracht?”
„Ja.”
„Waar is ze?”
„Hier.”
Lou haalde de biefstuk uit zijn zak. Ze was warm geworden en kleefde an ’t papier.
„Die kunnen we zoo niet eten!”
„Wel zeker. Hou ze maar even onder de leiding.” „Blijf jij dan bij het paard.”
Ik begon de biefstuk te bakken. Wat vet en boter in de ommeletpan op het gaskomfoor. Het rook lekker. Pieps en Poel stonden met kromme ruggen en stijvige staarten op de aanrechtbank toe te kijken.
„Hou het paard toch vast!”
,,’t Doet geen kwaad. ’t Is een mak beest!”
De merrie stond schuin op de tuintrap en snoof de biefstuklucht op.
„Kischt! Kischt!” riep ik.
„Laat ’m toch gaan!”
Lou dekte de tafel. Pieps en Poel bromden tegen het paard.
Toen kwam het de tuintrap op.
„Kischt! Kischt!”
Het hinnikte.