241
fluit. Van schrik liet de bakker zijn brooden vallen. De merrie beet er in.
„Als je maar weet, dat ik ’t op de rekening zet! ” — brulde de bakker.
„Wat mot dat paard hier?”—Daar had je de politie. „Mijnheer,” zei ik — „mijn broer heeft een paard gekocht voor ƒ999.97 ... Nou staat ’t beest zoo te transpireeren”. ..
„Vooruit menschen! Doorloopen! Doorloopen!” Gelukkig, ze gingen ’n end op zij.
„Dat paard mot van de stoep af, mijnheer.”
„Lou, het paard mot van de stoep, zegt de politie!” „Dan zal ik het binnen brengen.”
„Ben je dol!. . . ’t Beest is te dik!”
„Niks te dik! Kijk maar!”
De dikke, zware merrie schuurde met haar vleezig lichaam tegen de muren van ons nauw portaaltje.
„Je maakt ’m heelemaal wit,” zei ik nog. Maar Lou liep door, sleepte ’t paard mee, eerst door de gang, toen door de keuken, toen de vijf treedjes af in het tuintje.
De merrie begon dadelijk te grazen van het ongelukkig beetje onkruid.
„Daar gaan onze bloemen! Wat doe je ook een paard mee te brengen!”
„Je zult zien wat we ’r ’n plezier van zullen hebben! As je ’s avonds naar De Telegraaf gaat, rij je”. .. „Hij vreet al het groen op!”
„Dat groeit het volgend jaar weer an.”
„Pas op voor Poel. Hij staat zoo te blazen!” 1)
l6
1
Poel, de kater.
SCHETSEN.