209
.augurkies uit de vaten snoepte .. ., zou ze telegrafeeren naar Semarang . . . waar of dat lag... en wat of dat kostte ... as ze nou maar genoeg geld bij „Tesselschade” kreeg voor de stokvisch en ’t telegram... en dan zou ze de kamer ’n goeie beurt geven . .. met al dat stoken en niet luchten voor ’t ouwe mensch,. . werd de boel zoo vies om niet an te raken . .. dan zou ze de brander van de lamp ook ’s goed doorblazen ... al de gaatjes waren verstopt... en ze zouen samen ’t kleed voor elven uitslaan. .. laatst had ze haast ’n bekeuring gekregen ... de stokvisch most lang weeken . . . anders kwam-ie hard op tafel en d’r most nog mosterd wezen .. , nee anders niks . . .
Haast was ze ingedut.
Ze schrikte op door Riek, die snurkte.
Het was niet om uit te houen van de warmte. Zachtjes schoof ze het raam op — heel klein kiertje, ademde de scherpe avondliicht, keek met droge oogen naar de omtrekken der bladerlooze boomen, naar de donkere wolken, die voorbij de maan dreven. De maan was geheel bedekt, begon zich los te werken uit de sponzen van zwart. Een wit wolkentipje kwam al verzilverd uit.
Ze wou ’m er uit zien komen. Maar hij kwam niet. Alleen wat wolkenrandjes stonden gekleurd alsof in de verte zilverbrand was.
Den volgenden morgen lag moeder nog te bed, toen ze terugkwamen. Riek frisch van de wandeling. Jo met kringen onder de oogen.
Moeder stak het hoofd uit de alkoof.
„Wat heit ’t gekost?"
SCHETSEN.
14