ROUW.
Op den dag, dat hij aarzelend over het huwelijk sprak, zei ze ruw-weg nee. Hij drong aan, drong aan, maar ze werd driftig. Hij zweeg, blij dat ze ’t nou eenmaal wist, vast besloten, om er op terug te komen. Een week later, voorzichtig, vroeg hij nog eens, zachtjes:
„Nou moeder... Ben je tot andere gedachten gekommen?”
Het donkere Joden-vrouwtje verroerde zich niet. Ze zat met de handen gevouwen alsof ze niet gehoord had.
„Ben je tot andere gedachten gekommen, moeder?”...
Ze bleef in dat stugge zwijgen, liet het hoofd achterover gaan in den leunstoel, knipte de oogleden dicht.
„Ben je niet lekker?” vroeg-ie, omdat ze zoo stil bleef en hij nou pas oplette, dat ze zoo geel-bruin en gerimpeld en oud was bij het licht van de lamp.
Ze schudde ’t hoofd.
„Geef... dan antwoord.”
Ze dee de oogen open, keek hem aan, boog het lijf driftig voorover en snauwde: